Begrippen

Bij het bierbrouwen zijn een aantal standaard begrippen, wij leggen ze hier in het kort uit.

 

Maischwater; Met maischwater wordt het water bedoeld wat je aan het begin van je brouwsessie gebruikt en wat tijdens de brouwsessie wordt verwarmt. Afhankelijk van de hoeveelheid wat je wilt brouwen, varieert dit.

 

Maischen; Dit is het proces om de moutsuikers uit je mout te krijgen. Er gaan verschillende theorieën, de één zegt dat het maischen het beste kan op verschillende temperaturen, de ander zegt dat het ook op één temperatuur kan. De lengte van maischen varieert per soort bier wat je wilt maken, veel recepten hebben een maischschema van 1 tot 1,5 uur.

 

Spoelwater; Dit water gebruik je om de laatste moutsuikers uit je bostel te spoelen. De hoeveelheid varieert weer afhankelijk van welk soort bier je brouwt.

 

Wort; Wort is de vloeistof welke overblijft na het maischen, hierin zitten de moutsuikers.

 

Bostel; Dit is het natte mout wat na het maischen overblijft. Hier kan je nog verschillende dingen mee doen, hierbij denkende aan, voeren aan de kippen, of fijnmalen en een brood mee bakken.

 

Mout; Mout is gedroogde, gekiemde, gerstkorrels. Er zijn verschillende soorten mout welke elk zijn eigen eigenschap heeft. Het belangrijkste is bij het brouwen om een goed basismout te hebben, vaak wordt hier voor pilsmout gebruikt. Ook is er bijvoorbeeld gebrande mout, dit zorgt voor een donkere kleur.

 

Gist; Zonder gist geen alcohol in je bier. Gist is een schimmel welke de suikers (glucose) omzet in alcohol. Ook heb je verschillende gisten welk elk een andere eigenschap heeft. Dit is weer van invloed op de smaak van je bier.

 

Kruiden en smaakmakers; Als je een bier wilt brouwen met kruiden, dan kan je verschillende gedroogde kruiden gebruiken. Hierbij kan je denken aan bijvoorbeeld sinaasappelschil, anijs, koriander, kaneel etc…

 

Begin en Eind SG; Met een hydrometer of refractometer kan je het begin en eind SG berekenen van je brouwsel. SG staat voor soortgelijk gewicht en hiermee meet je de alcohol. Om je alcohol te kunnen berekenen ben je dus je begin en eind SG nodig. Dit trek je van elkaar af en vermenigvuldig je met 0,136. Mocht je gaan voor een nagisting op de fles, dan kan je nog meestal een 0,5% alcohol extra rekenen.

 

Een rekensommetje: Begin SG 1060 – Eind SG 1010 = 50, 50 x 0,136 = 6,8%. Mocht je dan nog een nagisting op de fles doen, dan zou je op 7,3% alcohol uitkomen.